Definitie

Bij personen met dyslexie is er sprake van een ernstige lees- en/of spellingachterstand. Ondanks dat deze kinderen goed onderwijs hebben gevolgd, hebben zij moeite met lezen en spellen en is dit proces onvoldoende geautomatiseerd. Ongeveer 4 procent van de kinderen op de basisschool heeft dyslexie. Dyslexie is een specifieke leerstoornis met een neurologische basis, waarbij de kern van het probleem ligt in het vlot lezen en spellen van woorden. De snelheid in decoderen, ofwel automatisering, is het kernprobleem van kinderen met dyslexie. Meestal gaat het lezen van een tekst makkelijker dan losse woorden, omdat er dan gebruik kan worden gemaakt van de context.

In Nederland worden de volgende twee officiële definities gehanteerd:

Blomert, 2006:

“Dyslexie is een specifieke lees- en spellingstoornis met een neurologische basis, die wordt veroorzaakt door cognitieve verwerkingsstoornissen op het raakvlak van fonologische en orthografische taalverwerking. Deze specifieke taalverwerkingsproblemen wijken proportioneel af van het overige cognitieve en met name taalverwerkingsprofiel en leiden tot een ernstig probleem met het lezen en spellen van woorden ondanks regelmatig onderwijs. Dit specifieke lees- en spellingprobleem beperkt in ernstige mate een normale educatieve ontwikkeling, die op grond van overige cognitieve vaardigheden geïndiceerd zou zijn.”

Stichting Dyslexie Nederland (SDN), 2008; 2016:

“Dyslexie is een specifieke leerstoornis die zich kenmerkt door een hardnekkig probleem in het aanleren van accuraat en vlot lezen en/of spellen op woordniveau, dat niet het gevolg is van omgevingsfactoren en/of een lichamelijke, neurologische of algemene verstandelijke beperking.”

In de laatste definitie wordt gesproken van een hardnekkig probleem. Wanneer extra, planmatige en intensieve didactische maatregelen en extra ondersteuning nauwelijks leiden tot een verbetering van de lees-/spellingvaardigheid, dan kan er van hardnekkigheid worden gesproken. Dit wordt ook wel didactische resistentie genoemd. Didactische resistentie kan worden aangetoond wanneer een leerling nauwelijks vooruitgang boekt op genormeerde toetsen gedurende ten minste een half jaar intensieve begeleiding. De intensieve begeleiding bestaat uit twee interventieperioden van elk minimaal twaalf effectieve weken. Per week is er dan ten minste 60 minuten extra begeleiding, individueel of in een klein groepje, verdeeld over meerdere dagen, volgens een planmatige, effectief gebleken aanpak.

Sommige leerlingen met lees-/spellingproblemen lopen hun achterstand weer in na een periode van effectieve begeleiding. Bij leerlingen met dyslexie blijft er altijd een zekere achterstand bestaan, ook na systematische hulp.

Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (EED)

Dyslexie is de algemene term voor ernstige lees- en/of spellingproblemen, die internationaal ook wordt gebruikt. Ernstige enkelvoudige dyslexie (EED) is een Nederlandse term, die vooral met regelgeving voor vergoede zorg in Nederland te maken heeft. Het moet gaan om ernstige lees- en/of spellingproblemen, waarbij er geen sprake is van andere bijkomende stoornissen of problemen. Een specifiek deel van de leerlingen met dyslexie komt in aanmerking voor de EED-vergoedingsregeling. In het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling 2.0 (NKD, 2013) is vastgelegd wat de criteria hiervoor zijn.

Algemene kenmerken

De volgende algemene kenmerken van dyslexie worden genoemd in het Protocol diagnostiek en behandeling 2.0 (NKD, 2013):

  • ernstige lees- en spellingproblemen af te leiden uit zwakke prestaties
  • het trage/moeizame leerproces is specifiek voor lezen en spellen
  • de lees- en spellingproblemen hebben betrekking op woord- en subwoordniveau
  • de verwerking van spraakklanken is verstoord/vertraagd
  • het snel serieel benoemen (van letters en cijfers) is verstoord/vertraagd
  • visuele/orthografische woordherkenning is onnauwkeurig/vertraagd
  • de letter-klankkoppeling is verstoord/vertraagd
  • een minderheid vertoont verbale werkgeheugenproblemen

Nevenkenmerken

In het Handboek Dyslexie theorie en praktijk (Braams, 2019) worden de kenmerken verdeeld over kern- en nevenkenmerken. Dit onderscheid is handig om te maken, omdat dit ook zicht geeft op minder voor de hand liggende symptomen. De kernkenmerken komen overeen met bovenstaande algemene kenmerken; bij de nevenkenmerken kan gedacht worden aan problemen op de volgende gebieden:

  • Mondelinge taalvaardigheden (bijvoorbeeld  moeite met vlot vertellen)
  • Rekenvaardigheden (bijvoorbeeld moeite met automatiseren van de tafels)
  • Begrijpend leesvaardigheden (door de moeite met het technisch lezen blijft er soms minder aandacht over voor het begrijpend lezen)
  • Schrijfvaardigheden (bijvoorbeeld moeite om een heldere structuur te hanteren)
  • Moderne vreemde talen (bijvoorbeeld moeite met het aanleren van nieuwe letter-klankkoppelingen)
  • Geheugen (bijvoorbeeld moeite met het onthouden van instructies)
  • Aandacht/concentratie (bijvoorbeeld moeite met uitvoeren van meerdere opdrachten tegelijk)
  • Planning en organisatie (bijvoorbeeld moeite met het plannen van schoolwerk)

Meer informatie en voorbeelden bij deze nevenkenmerken is terug te vinden in het Handboek Dyslexie: theorie en praktijk.